Posts tonen met het label Law. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Law. Alle posts tonen

donderdag 4 maart 2010

Discipline(s)

Ik vind het leuk om verbanden te leggen. Zo heb ik vaak genoeg geprobeerd uit te leggen dat mijn liefde voor dans en choreografie samenhangt met die voor in de bieb zitten en stukken schrijven. Noem de gemene deler “creativiteit” of “iets maken.” Of zoiets als: het vertellen van een verhaal, het maken van een uitgebalanceerd geheel, met een begin, een eind, en verschillende lijnen. Toegegeven, soms lijken door mij gelegde verbanden wat vergezocht, of vaag.

Ik word steeds beter in het vinden van goedkope tickets voor goede dansvoorstellingen. Wetende dat ik “iets” met dans blijf houden – en dat ik eigenlijk ook dit semester de balletlessen die op zondagochtend in het sportcentrum worden gegeven moet volgen – voel ik mij thuis tussen het danspubliek en is geen stuk me te klassiek, of te experimenteel. Wat Movement Research hier in New York doet bijvoorbeeld, valt volgens Time Out NYC dan misschien wel onder dans, maar heeft daar niet per se iets mee te maken. Taal, spel, en inderdaad “movement” in een veel bredere zin, spelen een prominente rol. Maar ook in andere voorstellingen valt de link met andere disciplines eenvoudig te leggen.

Een paar weken geleden danste het New York City Ballet naast twee choreografieën van Balanchine ook een fantastisch ballet gebaseerd op “The Lady with the Little Dog,” een verhaal van Anton Chekhov. Een zeer succesvol voorbeeld van hoe literatuur en choreografie – of in het geval van de Balanchine-stukken Stravinsky en de choreograaf – elkaar kunnen inspireren en interpreteren.

Valt deze multidisciplinariteit in de kunsten in verband te brengen met die op de universiteit? In mijn Public Law Workshop werd ik twee weken achtereen geconfronteerd met papers die niet zozeer met de rechtswetenschap, maar eerder met (empirische) politicologie te maken hebben. En twee keer was het belangrijkste punt in mijn respons-paper: waarom houdt het daar op? Of eigenlijk: prima, als je het bij tabellen en grafieken houdt die laten zien dat partisanship een rol speelt bij het stemmen voor of tegen een Supreme Court nominee. Maar zodra je als politicoloog harde claims maakt met betrekking tot de vraag hoe counter-majoritarian dit hof is, ben je toch verplicht je ook in de meer rechtswetenschappelijke traditie te begeven en te verantwoorden? Met andere woorden: over het mixen van recht met politicologie, economie of wat dan ook, ben ik lang niet altijd zo enthousiast als over “grensoverschrijdende” kunst. Waarschijnlijk een vergelijking die mank gaat, maar toch. Je begeven op andermans terrein en gebruik maken van wat men elders weet en heeft gedaan, kan een enorme toegevoegde waarde hebben. Maar daar waar een choreograaf niet zomaar wat met literatuur doet, moet ook een wetenschapper geen juridische termen gebruiken zonder deze te begrijpen en uit te leggen. Multidisciplinariteit, of hoe je het ook wilt noemen, lijkt een kunst op zich.

vrijdag 5 februari 2010

Bilingual?

Afgelopen woensdag werd er in het kader van de serie “Careers in Law Teaching” een lunchlezing georganiseerd over “writing.” Hopend op wat inspirerende woorden – leer mij beter schrijven! – kon ik die na het college Jurisprudence en voor Human Rights mooi even bijwonen. Tussen 40 pizza etende studenten werd ik er inderdaad een beetje wijzer.

Ik wist al dat schrijven iets is waar je altijd mee bezig moet zijn, al was het maar om te voorkomen dat bepaalde skills verloren gaan. Bloggen werd om die reden dan ook van harte aangeraden.. Verder werd bevestigd dat een ieder die van (academisch) schrijven houdt, ook een continue strijd met woorden en paragrafen lijkt te delen. Mijn strijd wordt nog eens vergroot doordat ik het niet kan laten zeer precies met taal om te gaan, maar ik dat wanneer ik schrijf in het Engels niet altijd lijk te kunnen doen.

Een minder groot vocabulaire, maar vooral ook een minder sterk taalgevoel zijn daar debet aan. Wat klinkt mooier en wat zegt echt wat ik bedoel? Mijn vraag hoe hiermee om te gaan werd echter in zeer positieve termen beantwoord. Bilingual zijn maakt iemand een betere schrijver. Bewust van het relatieve karakter van een bepaalde taal, vergroot dit de kans dat je woorden en uitdrukkingen niet zomaar voor lief neemt. Net als het thuis zijn in meerdere disciplines, zorgen ook verschillende “taalperspectieven” voor een meer doordacht eindresultaat.

Heel leuk en aardig, maar het probleem is nu juist dat ik mezelf nog lang niet bilingual vind. Niet wanneer het op serieus schrijven aankomt, in ieder geval. Heel veel lezen en proberen stijlen te imiteren is waarschijnlijk de enige oplossing.

Aan het eind van de lezing wees de spreker op een essay van George Orwell: Politics and the English language. Een aanrader voor iedereen die wat met taal en schrijven heeft. En voor iedereen die taalverval wil tegengaan. Al met al nog genoeg te leren:

(i) Never use a metaphor, simile, or other figure of speech which you are used to seeing in print.

(ii) Never us a long word where a short one will do.

(iii) If it is possible to cut a word out, always cut it out.

(iv) Never use the passive where you can use the active.

(v) Never use a foreign phrase, a scientific word, or a jargon word if you can think of an everyday English equivalent.

(vi) Break any of these rules sooner than say anything outright barbarous.

vrijdag 11 december 2009

Study Groups

Meer nieuws over Columbia Law School during exam period. Study groups zijn hier een waar fenomeen. In de lobby, in elke vrije collegezaal, overal zitten ze. Of het op en top conformisme is - ik heb werkelijk wel drie of vier lunch-meetings bijgewoond waarin samen samenvatten en de tentamenstof doornemen nogal warm werd aanbevolen - of gewoon heel goed werkt, dat kan ik nu nog niet zo goed beoordelen. In elk geval ziet het er gezellig uit - je kunt pizza's bestellen en lekker de halve nacht doorpraten over de fundamenten of details van het rechtsgebied in kwestie. Mijn study group - voor Contract Law - komt vaak in de ochtend bijeen. Allemaal, behalve degene die zich die keer verslapen heeft, drinken we grote bekers koffie en ondertussen is het inderdaad fijn om elkaar een beetje moed in te praten en wat dingen te verhelderen.

Maar schijn bedriegt. Las vandaag online over ambitieuze (?) Columbia Law-studenten die klaarblijkelijk hun klasgenoten laten 'solliciteren' voor deelname aan een study group door ze een CV en cijferlijsten te laten inleveren. Slim hoor. Want wie wil er nu bijeen komen met studenten die wellicht dommer zijn? Maar anderzijds: waarom zou je je eigen kunnen inzetten om je grootse rivalen nog beter de stof te laten bevatten?

Of het waar is? Geen idee. Een leuk verhaal is het in elk geval wel.

"We come across some ridiculous news here at Above the Law. But few stories are as douchetastic as what happened last week at Columbia Law School. A tipster reports:

Some 1L chick has been asking a select few of her classmates if they’d be interested in forming a study group. Here’s the catch: in order to be “accepted,” you have to submit (1) resume, (2) undergraduate transcript."

Klik hier voor de rest.

donderdag 10 december 2009

De Bieb

Klopt. Ik heb een blog ja (thanks for reminding me;)).
Het probleem is gewoon dat ik niet zo gek veel meemaak momenteel. Maandag beginnen de exams. En voor de kerst moet ik ook nog eens vier papers inleveren. Een gezonde dosis procrastrination maakt dat ik flink wat werk voor deze laatste weken heb bewaard. Wat een heerlijk semester was is inmiddels dan ook een strijd tegen de klok geworden. Hoe ga ik alles ooit op tijd in mijn hoofd en op papier krijgen?
De Law School library is deze weken 24/7 open. Bedoeld als gesture maakt dit mijn strijd echter niet per definitie gemakkelijker. Een dinner break mag best wat uitlopen, die uren haal je na middernacht wel weer in. Echt effectief ben ik om half 2 alleen niet meer. En als ik vervolgens de volgende dag 'pas' om 8 uur weer aan de slag ga, baal ik van een matige avond/nacht EN van een veel te korte ochtend.
Afleiding genoeg bovendien, in de bieb. Ik studeer graag sociaal, en aan het - o zo Leidse - zien en gezien worden doe ik ook hier volop mee. Weet precies wie er is en wie waar zit, en voor een koffie weten ze mij aan de grote tafel, niet te missen, ook altijd wel te vinden.
Plus, en dat is denk ik nog een groter probleem: de tijd dat in de bieb zijn betekende dat je alleen was met je boeken, is voorgoed voorbij. Als ik mijn computer nodig heb - en dat is eigenlijk continu - ben ik tegelijkertijd op facebook, skype en gmail voor de hele wereld bereikbaar. Ondertussen luister ik naar muziek - 'Empire State of Mind' on repeat of zowaar Radio 1 dan wel 4 zodat ik ook nog eens het Nederlandse nieuws kan volgen. Als ik me toch nog begin te vervelen, maak ik foto's met mij iPhone:

(Butler Library; Law School Library; en ja, mijn buurman kijkt voetbal.)

Gelukkig veranderen sommige dingen echter nooit.
(Butler Library, lang geleden)

dinsdag 20 oktober 2009

Law & Learning

In een Harvard Law Review-artikel uit 1996 beschrijft de Amerikaanse Judge Richard A. Posner ‘The Decline of Law as an Autonomous Discipline’. Hij meent dat waar recht lange tijd een grotendeels op zichzelf staande discipline was – waarbinnen juridisch denken en het aanhaken bij door de jaren heen ontstane doctrines een afdoende manier was om tot legitieme antwoorden te komen –, de noodzaak om ‘breder’ te beargumenteren tegenwoordig enorm is. Dit zou onder andere komen door een afname van politieke consensus, door het toegenomen belang van wetenschappelijke onderbouwingen in het algemeen en economische en filosofische inzichten in het bijzonder. Wie volgens Posner anno nu een kundig beoefenaar van het recht wil zijn, moet niet slechts over een juridisch vocabulair beschikken maar in meerdere disciplines bekwaam of toch ten minste open minded zijn.

Ik ben geen fan van een puur economische of al te abstracte benadering van juridische vraagstukken. Is het bijvoorbeeld niet een illusie te denken dat we kunnen ‘berekenen’ welke uitkomst de maatschappelijke welvaart het meest bevordert, wanneer onduidelijkheid over wat dat laatste inhoudt ons daarvan per definitie zal weerhouden? Dat neemt niet weg dat de analyse van Posner aanspreekt. Hoewel ik niet zeker weet of dat ooit heel anders was, is het aannemelijk dat in een complexe wereld als de onze enkel verstand van het huidige ‘recht’ iemand nog geen goede jurist maakt. Het volledig thuis zijn in de economie of een andere (tweede) discipline is waarschijnlijk te veel gevraagd. Tegelijk is enige maatschappelijke, culturele, historische en economische kennis waarschijnlijk wel een must. Maar wat betekent dit voor het onderwijs?

Twee weken geleden presenteerde Professor Susan Marks hier tijdens een lunchlezing haar artikel ‘The Law School Matrix’. Om rechtenstudenten beter voor te bereiden op hun toekomst, is er volgens Marks verandering nodig. Aanpassing van het curriculum – meer ruimte voor andersoortige vakken die niet per se de doctrine als uitgangspunt nemen – is in dat opzicht niet genoeg. Marks stelt dat de cultuur van de typisch Amerikaanse Law School waarin competition en conformity centraal staan, studenten weerhoudt van het denken buiten de gebaande paden en de weg naar success en geld.

Uiteraard volgde er discussie – zoals dat hier van studenten verwacht wordt. En eerlijk gezegd vond ik dat sommige opmerkingen het standpunt van Marks bevestigden. Gevraagd of hij het idee had daadwerkelijk en in de breedste zin van het woord te leren gedurende zijn jaren in Law School, meldde een derdejaars dat hij toch echt wel naar de Professor stapte voor extra uitleg als hij na ‘being on call’ een bepaalde case niet goed had begrepen.

Het Nederlandse rechtenonderwijs is op veel vlakken nauwelijks te vergelijken met het Amerikaanse. Maar of een mindere mate van competitie studenten in Nederland meer open doet staan voor een bredere ontwikkeling, vraag ik mij toch wel heel erg af. Bovendien hebben de studenten die in de VS de application procedure van een Law School doorstaan, in elk geval nog wat meegekregen als undergraduate in bijvoorbeeld political sciende, sociology of economy aan een goed aangeschreven College. Tel daarbij op het nog steeds zeer standaard curriculum op de Nederlandse rechtenfaculteiten en het feit dat eventuele ruimte in het rooster tegenwoordig opgevuld moet worden met het bijbrengen van vaardigheden en kennis die eigenlijk op de middelbare school hadden moeten worden opgedaan. Als Plasterk tot slot ook nog eens het volgen van een tweede studie of Master wil ontmoedigen door daarvoor de volle prijs te vragen, valt (juist?) ook in Nederland te betwijfelen of het beeld dat Posner en Marks van een goede, hedendaagse jurist schetsen ook maar enigszins binnen handbereik is.

woensdag 12 augustus 2009

Underground ethics

Onder de noemer SubTalk probeert de Metropolitan Transportation Authority (MTA) met opvallende teksten de aandacht van reizigers te trekken. En dat lukt aardig. Inmiddels ben ik gefascineerd door de verschillende campagnes, en een beetje googelen leert dat ik niet de enige ben.

Eigenlijk ben ik dol op metro’s. Of in ieder geval, op buitenlandse metro’s. Hoewel het onder de grond vaak flink benauwd is en een rit tijdens spitsuur – whatever that may be in New York City – je standaard het gevoel geeft dat een douche geen overbodige luxe zou zijn, vind ik het heerlijk om ongegeneerd slechtgeklede mannen op weg naar hun werk, moeders met jengelende kinderen en ordinaire locals te bestuderen. Ook in dat opzicht is New York een feest.

Neemt niet weg dat de drukte ondergronds natuurlijk vraagt om problemen. En dat is precies waar de MTA-campagnes wat aan moeten doen. Seksuele intimidatie? ‘A crowded train is no excuse for an improper touch.’ Terrorisme? ‘If you see something, say something.’

Maar ook: ‘Lean on your best friend for the $50 he owes you. But don’t lean on the subway door.' En: ‘Feeling under the weather today? Best thing to do is not get on the train.’ (…) Een beetje moraliserend vindt men dit alles hier in NY wel – zo blijkt althans uit de reacties op internet. Wat volgt: ‘Eat your breakfast’?

Toch betwijfel ik of het hier puur en alleen om een moreel appel gaat. Vanwaar anders de expliciete verwijzingen naar wettelijke regels en mogelijke boetes? Moet ik mij onthouden van het uitschelden van het metropersoneel omdat dat nu eenmaal onfatsoenlijk is, of omdat schelden me geld gaat kosten? Moet ik mijn stoel afstaan omdat dat nu eenmaal hoort en ik daarmee een ander helpen kan, of om te voorkomen dat ik handel in strijd met de wet?


Een concreet beroep op de wil van de New Yorkers om de wet te respecteren, ben ik hier de afgelopen dagen al vaker tegengekomen. Volgens mij gebeurt iets dergelijks in Nederland veel minder. Naast de bekende maar voor leken nogal wat 'abracadabra' bevattende bordjes met 'verboden toegang ex art. 461 WvSr' kan ik in elk geval zo snel geen voorbeelden bedenken..

woensdag 5 augustus 2009

Wereldwijs in de VS?

In Leiden zijn we nogal internationaal georiënteerd. Dat wil zeggen: tijdens mijn Master Staats- en Bestuursrecht werd flink wat aandacht aan – interpretaties van – het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) besteed. Ook de invloed van de EU bleef allesbehalve onderbelicht. Wie dacht dat ik een nogal Nederlandse (en daarmee niet al te spannende) studie deed, had het mis. Staats- en bestuursrecht kreeg in Leiden maar al te vaak een internationale touch.

Logisch eigenlijk, want gevangen in een ‘veellagige’ rechtsorde zijn de ontwikkelingen in internationale en buitenlandse rechtspraak van niet te overschatten belang. Hoe heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) door de jaren heen gereageerd op politici die werden vervolgd naar aanleiding van wat zij met een beroep op hun vrijheid van meningsuiting wilden goedpraten – en kunnen wij het er dan maar beter bij laten zitten, of juist niet? Hoe beoordeelt het Hof van Justitie van de EG privacy- en andere grondrechten wanneer deze – bijvoorbeeld in het kader van VN-maatregelen tegen terrorisme – in het gedrang komen? Hoe gaan andere landen hiermee om? Tegenwoordig zijn we nergens zonder verwijzing naar de wijsheden van niet-Nederlandse rechters.

In de VS ligt dat wat gevoeliger. Enkele dagen voor vertrek naar New York trok een artikel hierover in het Columbia Law School Magazine mijn aandacht. Onder de titel ‘The Court at a crossroads’ wordt gesproken over het ‘binnendringen’ van internationale (juridische) opvattingen in de Amerikaanse rechtspraak. Hoe vanzelfsprekend de doorwerking van (bepaalde) internationale verdragen en de incorporatie van niet-Nederlandse uitspraken hier – terecht – is, zoveel weerstand bestaat daar in de VS tegen. Gehecht aan de visies van de Founding Fathers spreken prominenten zich niet alleen uit tegen ‘voorrang’ van bovennationale rechten en case-law, maar wordt bovendien elke verwijzing daarnaar heftig bediscussieerd. De welbekende Supreme Court Justice Scalia spant ook hier de kroon: Stellende dat “modern foreign materials can never be relevant to an interpretation of … the United States Constitution”, wijst hij elke invloed van bijvoorbeeld een uitspraak van het EHRM af.

Natuurlijk, de VS zijn geen partij bij het EVRM, en ook een lidmaatschap van de EU zullen ze nooit verkrijgen. Ook meer in het algemeen is voor een afwachtende houding ten opzichte van verwijzingen naar internationale en buitenlandse rechtspraak bovendien wel wat te zeggen. Is het immers inderdaad niet zo, dat “[with f]oreign law, you can find anything you want. If you don’t find it in the decisions of France or Italy, it’s in the decisions of Somalia or Japan or Indonesia or wherever”. (Chief Justice John G. Roberts, Jr.) En dat een rechter zo wat al te ‘vrij’ kan redeneren en motiveren, is allesbehalve wenselijk. Aan de andere kant, als de wereld inderdaad zo ‘increasingly global’ en ‘interconnected’ is als niet alleen het artikel maar ook de dagelijkse werkelijkheid om ons heen doet vermoeden, kan een wat ruimdenkender uitgangspunt wellicht ook in de VS geen kwaad. En waar ook door de originalisten – die graag vasthouden aan de ‘originele’ betekenis van de Amerikaanse Grondwet – kan worden teruggevallen op het argument dat de Framers “wanted us to comply with international law” (Columbia’s Henry L. Moses Professor of Law and International Organization Lori Fisler Damrosch), moet dit toch ook mogelijk zijn zonder daarmee tekort te doen aan Supreme Court-precedenten? Ook zonder daarmee ruim baan te geven aan persoonlijke voorkeuren van rechters moeten internationale en buitenlandse juridische ontwikkelingen toch kunnen worden meegenomen?

Ik denk dat ik me hier de komende tijd maar eens wat verder in ga verdiepen. Voor nu is duidelijk dat New York dan wel een melting pot mag zijn, maar dat ik daar qua internationaal (constitutioneel) denken – vergeleken met in Leiden, wie weet – wellicht af en toe een pas op de plaats zal moeten maken.